Champagne district, France – Feuilleton vakantieliefde deel 3

‘I like kissing you’, klinkt er met zijn Russisch aandoend accent en zoent me stevig maar liefdevol op m’n voorhoofd. Ik heb de auto schalks – want nog steeds dronken – voor het parkeerplaatsje van de bakker geparkeerd. Nog véél te vroeg maar hongerig van het dansen, drinken en vrijen wachten we tot de boulangerie haar luiken opent en we die hele vitrine aan verse Pain au Chocolats en Croissants leeg kunnen rauzen. ‘Yes u are a good kisser ’ antwoord ik gevlijd, en vooral dankbaar, want wat kan die man kussen, handig dat hij dat ook van mij vindt.
Na het diner gisteravond, toen ik mijn zinnen op hem had gezet, was er een dansfeest in ‘The Cave’, de kelder van de residentie, verbouwd tot discotheekje. Toen ik aan kwam lopen zag ik Auridus vrijwel roerloos aan een glas rood nippen. Dat genip, dat trok mijn aandacht naar zijn mond. Hij deed het zo kalm, zo gracieus. Was ik maar zo. Tis benijdenswaardig.
Gracieus bewegen is slechts een kwestie van de snelheid waarmee je beweegt, vertelde een vriend me. Als je dus al een tikkie vertraagt, doe je gracieuzer aan. (note to self)
Al is Auridus wat ouder, hij heeft de mond van een twintiger. Welvend. En moist. Als een vers geplukt aardbeitje na een kleine regenbui op de dinsdagochtend.
Ik ging naast hem zitten aan de bar. ‘Haaaai’, zei ik ondeugend. En toen deed ik ineens iets geks. Waarschijnlijk om mijn doodsangst voor lichaamssappen te verkennen of overwinnen – weet ik veel.
Je kent het, de aantrekkingskracht van gevaar, zoals je ineens gaat praten met een spin, of van een te hoge klif afspringt, ging ik daar met mijn handen over zijn vochtige slaap en voorhoofd aaien. En toen zei ik (waarom weet niemand); ‘Oe, darling you are all sweaty…’
Hij schrok een beetje en keek me raar aan. Hij had gelijk, dit was ook debiel. Het leek wel de tekst uit een slechte B-film. Of een goeie C-film.
De rest van de avond is geschiedenis. En nu staan we als leuk stel (statige filosoof en gekke blondine) bij de bakker en heb ik me inmiddels bedacht dat ik me helemaal niet zo onder mijn league begeef. Arrogante trut die ik ben. Auridus is leuk. En hij vindt me een goeie kisser. En de zon schijnt. Ik ben even gelukkig.

Champagne district, France – Feuilleton vakantieliefde deel 2

Auridus dus. Sowieso geen slecht idee om het eens een keer ‘under my league’ te zoeken. Gewoon een lekkere bezwete dikzak aan de haak te slaan. Eentje die dankbaar is voor mijn aandacht. Niet moeilijk doet.
Het is gedoe als je iemand leuker vindt dan de opponent jou. Een rare spanning treed op. Je moet het in balans houden. Als je je impulsen laat gaan, heb je al snel iets weg van een engzak of stalker.
Ik pak mijn soepkom en ga naast m’n doelwit zitten. Dat ie filosoof is wist ik al, ik vraag hem of hij ook lesgeeft. ‘Yes I do ..’, antwoord hij met een opvallend zacht volume .. on the Riga university’. Ah, professor op de universiteit. Toch best geil als ik het voor me zie.
‘So what do you teach?’ Op gelaten toon komen er diverse academische vaktermen uit zijn mond zetten. Ik snap er de ballen van maar maak geluidjes als aha, uhum, uhu, en ik knik met een intellectueel fronsje alsof ik dat wel doe. Ondertussen haal ik me stiekem op aan zijn Oost-Europese accent dat iets van Russisch aandoet. Ik denk aan John Cleese in de magistreuze film A fish called wanda (1988) waar Jamie Lee Curtis wulps over de grond heen kronkelt als hij zijn Russische tongval laat klinken.
Dit ga ik niet lang volhouden, ik moet concreter worden, zoveel is zeker. Anders val ik door de mand. Ik ben niet in staat om een vraag te stellen die dieper op zijn onderwerpen ingaat. Dus daar ga ik weer, naar mijn favoriete vaarwater, de oppervlakte. ‘How do you begin your classes? ‘’Whats your first phrase?’ ‘Well, I am behind my desk’ zegt hij, maakt zijn hand tot een vuist, brengt het naar zijn mond waarna hij op luid volume krachtig zijn keel schraapt. ‘Ahuhuhuhuhum’ klinkt er luid galmend door de binnenplaats. De allerhande bikkende kunstenaars op de binnenplaats kijken verbaasd naar ons op. ‘Thats how I draw attention’ lacht hij humble naar de grond kijkend .
Ik lach de billen uit mijn broek. En daar steekt mijn meest onhandige eigenschap weer op. Ik snap geen snars van deze man – mijn hormonen in galop.

(Wordt vervolgd)

Champagne district, France – Feuilleton Vakantieliefde deel 1

‘Esthetisch wat uitdagendere mensen neuken als de brandweer’ vertelt mijn vakantievriend Berend me, terwijl hij onderzoekend naar me kijkt, alsof ik eruit zie als een drol en tot die groep behoor.
Geheel platonisch is het tussen Berend en mij hoor. Niks aan de hand. Berend moet me niet. En ik hem ook niet trouwens. Tenzij hij me wel moet. Dan misschien ik hem ook wel.
We verblijven in een kunstenaarsresidentie en Berend bevind zich in het kamertje naast mij. Hij is m’n buurman. De muren zijn van karton, zo lijkt het, je kan elke scheet horen. Als ik weer eens in mezelf loop te schelden (meestal met ‘potverdikkie’) hoor ik hem ongevraagd vanaf de andere kant van het karton miepen met ‘Potverdikkie?! Dat zeggen ze sinds 1800 niet meer hoor Shell’
Berend is knap om te zien, maar hij heeft ook iets van een verwend rotjoch uit Laren. Dat hij veel klaagt en articuleert alsof er een gegratineerde aardappel in zijn keel is blijven hangen, draagt daar dikwijls aan bij.
Berend is ook kunstenaar. Singer-songwriter. Van middelmatige kwaliteit uiteraard, zoals het gros van de singer-songwriters praat ik mezelf aan om zijn desinteresse in mij wat te kunnen verdragen. Maar toen ik zojuist op het internet wat filmpjes van zijn werk bekeek, bleek zijn stem en podiumpresentatie tot mijn teleurstelling woest aantrekkelijk.
‘Blonde wijven, ik moet ze niet, ze zijn simpel’, klaagde hij terloops terwijl we door een Frans cliché dorp richting een kathedraal slenterden. Naarmate onze wat vreemde vakantie vriendschap is gevorderd, noem ik hem ‘De Hel’. En als ik hem zo noem, moet hij daar dankbaar om lachen.
Vanavond eten we collectief. Met alle residenten zitten we aan de lange tafel op de binnenplaats van het kasteel. ‘Neuken als de brandweer?’ reageer ik, ‘Nooit geweten dat een brandweer het rolmodel is voor een batsbaar individu’.
Het doet er niet toe ik neem Berend zijn woorden in acht. Eens zien wie er hier op de residentie esthetisch uitdagend is. Ik scan mijn aan soep slurpende brood dippende gezelschap.
[…]
Och ja, natuurlijk. Daar zit hij, Auridus. De bolle filosoof uit Litouwen.
Hij die nooit iets zegt. Hij die enkel in de verte staart vanuit zijn brede montuur dat op zijn spitse doch volle neus rust.
Auridus. Bij wie het gelaat en de slapen immer zweetspikkeltjes draagt. Waar het zon- of maanlicht altoos in reflecteert.
Dit is zo klaar als een klont. Daar zet ik mijn zinnen op.

(Wordt vervolgd)

In de trein ergens voorbij Parijs – 24 juli 2018 – De Batsbaren

De conducteurs in Frankrijk zijn aantrekkelijk. Heel anders dan in Nederland. Nu ik er zo over nadenk – ik heb er nog nooit één gezien die een beetje batsbaar is. Speknekken. Toch? Ik wil maar zeggen.
Er staan er nu drie in mijn wagon, ‘bonjour plus de plus, de que qu de tututu de oe de lalala’ hoor ik ze zeggen. Ik versta er geen fluit van maar tis prachtig. Zalvend. Met scanners controleren ze allerhande kaartjes of uitgeprinte a4-tjes. (Helaas geen stempels of knippertjes meer, dan was ik echt wild geworden)
Ze hebben een kostuumpje aan om je vingers bij af te likken. Met zo’n leuk hoedje. Eentje is een hele knappe donkere jongen, diepe ogen, prachtige huid. De ander een beetje een punkrockmotormanconducteur. Wild uiterlijk, lang haar, tattoages, maar toch schoon. Geen smeer of olievlek te bekennen. De derde van het conducteursgezelschap is een wat oudere man maar charmant.
Op de achtergrond van de drie batsbaren zie ik stenen huisjes, wijngaarden en lavendel aan me voorbij trekken. Hoe verder ik van Parijs geraak, hoe desolater de omgeving. Ik haal me op aan de kronkelwegen, (on)bewoonde krakkemikkige huisjes en de opduikende café’s en van keten gespeende winkeltjes met verweerde uithangborden en eigenzinnig ingerichte etalages.
Het is toch ook verschrikkelijk hoe kinderachtig ik ben gebleven. Wat zo’n uniformpje in me los maakt gaat nergens over. Ik zou de drie conducteurs zo doen. Allemaal. Stuk voor stuk.
Ik zou het kostuumpje voorzichtig uittrekken. Eerst het gilet. Knoopje voor knoopje. Dan de blouse met wat minder nuance. Gewoon losrukken zo dat de knoopjes losschieten en door de wagon vliegen. Eén knoop komt in het oog van een willekeurig passagier terecht. ‘Merde!’ hoor ik in de verte. Maar dat kan me niks schelen. Daas van passie kleed ik de conducteur helemaal uit. Behalve dan zijn hoed, die laat ie maar mooi op. Ik blaas op zijn fluit en dan ga ik langzaam, ooooh, ik ben op mijn plek van bestemming, moet uitstappen, Daaag.

Abcoude – 17/06/ 2018 – Bij de Chinees

Ik zit met mijn moeder Foe Yong Hai te eten bij de plaatselijke Chinees. Tegenover ons zit een stel. De man kan ik niet goed zien. Ja, z’n achterkant. Schouders, een rug, beetje roos over een colbert. Saai. Maar zijn vrouw zit met haar gezicht recht tegenover me.
Het is een grote imposante blonde vrouw. Fel geblondeerd haar, netjes geföhnd of met zo een krultang exact de juiste slagen er in gedraaid. Om haar nek, polsen, vingers en in de oorlellen hangen sieraden. Overal hangen ze. En ze rinkelen, telkens als ze haar vork of glas naar haar mond toe brengt. Zulk soort vrouwen doen me vaak een beetje denken aan een muffin. Of een cupcake. Beetje te dik, te zoet en te veel ofzo.
Ik stel me zo voor dat ze niet die aandacht aan haar kapsel had besteed, dat ze niet die omlijsting zou hebben, wat zou er dan van haar over zijn? Een biggetje. Ja, dat is het. Ik krijg geen hap meer door mijn keel. Maar dat is omdat de Foe Yong Hai te zout is. Ik zeg het tegen Kim Chai, de bedrijfsleider. Hij snelt de keuken in en komt terug met een betere versie van het gerecht.
De laatste tijd kan ik me maar lastig concentreren op iets. Maar nu ineens wel. Een hyperfocus. Op deze vrouw, en dan met name haar neus. Haar biggineske neus.
Zoals je onbeteugeld verliefd op iemand kan zijn. Je machteloos staat tegenover je gedachtegang en waar ze je naartoe wentelen, je elke keer weer meenemen naar het object van je verliefdheid. Dat, heb ik met haar neus.
Mijn moeder. De Foe Yong Hai. Kim Chai. M’n bestek. De hele Chinees en de andere restaurantbezoekers. Ze bestaan niet meer.
De neus is wat omhoog gefloept, zodat de twee neusgaten groter zijn dan een gemiddeld neusgat. Ook zorgt de spanning van de omhoogfloeping ervoor dat haar bovenlip iets wordt meegetrokken, zodat wanneer zij haar mond sluit, haar mond niet sluit en haar boventanden en tandvlees alsmaar zichtbaar in beeld blijven. Maar dat doet niet zo ter zake. Wat mij vooral intrigeert zijn de gaten. Niet haar mond.
Terwijl ik naar de twee gaten in haar neus kijk, worden ze groter. Het lijkt net of ik aan de LSD zit, maar ik ben toch echt broodnuchter. Met mijn blik stuur ik de grootte van haar neusgaten aan. Beetje gek maar dit is wel degelijk het geval. Ze worden groter en groter en groter.
Ik leg m’n bestek neer en stel me zo voor dat ik in haar neus kruip. Ik dring binnen en roep ‘Hallo’. Het resoneert. ‘Hallo hallo hallo’. Het is er kennelijk erg hol. Wat een rust!
Ik zou die meid wel altijd om me heen willen hebben. Me lekker te zitten te concentreren op een goeie dikke neus, er af en toe even inkruipen als het me teveel wordt en de rest van de wereld even vergeten, ja dat doet me toch wel erg goed…

Amsterdam Plantage buurt – 22/05/2018 – Is er nog leven na de bakker?

Ik denk dat ik bij hem wegga. Het werkt voor mij niet meer. Onze relatie, of verstandhouding is volkomen eenrichtingsverkeer. We hebben nooit een goed gesprek, zien elkaar alleen maar als ik brood kom halen, en hij heeft amper belangstelling voor me. Dat heb je op een gegeven moment toch door, als een man geen vragen stelt is het basta. Ja heus dat hij vragen stelt, maar het is altijd ‘Wilt u bruin of wit brood?’ en ‘Hoe wilt u betalen?’ Zo blijven we alsmaar hangen in hetzelfde dialoog. Er zit geen schot in. Ja, heel eventjes, begon hij te glunderen toen ik mijn jongens in een push up bh had geschoven maar voor de rest slaat het toch echt dood tussen ons.
Nu ga ik weg. Niet alleen de bakker, maar ook Amsterdam Noord moet ik de bons geven. Ik heb het helemaal niet in m’n mars om in een volkse omgeving te mêleren joh. Leggings vind ik niet lekker zitten, ik word dizzy van de markt en veel spullen, en een Canta kan ik me niet veroorloven. Ik ben daar out of place. En in al die discrepantie is de bakker mijn bakermat. Mijn anker. Mijn oase in de storm.
Nu zie ik hem waarschijnlijk nooit meer terug. Ik troost me door te denken aan zijn tekortkomingen, – gek hè dat is toch wat je doet als je iemand niet meer wil willen –
Z’n tompoezen waren op Koningsdag bijvoorbeeld veel te zoet en als ie begint te praten is z’n platte tongval toch wel erg onsexy.
Ik ga me tijdelijk op een kamertje in de deftige plantagebuurt vestigen, pal naast dierentuin Artis. Waar het geluid van brullende marktkoopmannen ingeruild zal worden voor joelende slingerapen en de lucht van viskramen plaats maakt voor woestijnzand en olifantenkak (als de wind naar het oosten staat dan).
Ik ben bang dat als ik de bakker loslaat ik in een zwart gat zal belanden. Hoe moet ik nou verder zonder deze kruimel liefde. Nu ja, maar eens kijken wat er hier te halen valt.

Amsterdam Noord – 06/02/2018 – Voor de Bakker

Ik zou wel een paar lekkere lelijke vriendinnen willen hebben. Mijn entourage is veel te knap. Vooral mijn hartsvriendin. Ze heeft een bleek engelachtig huidje, vol rood haar en een scherp omlijnde symmetrische mond. Denk Mad Men Joan, maar dan niet zo gezet, en dan zit je in de buurt.
Ze heeft net een baby’tje gekregen. Ik was niet heel blij toen ze ineens zwanger was. Troostte me met het vooruitzicht dat ze straks lekker dik, uitgezakt en oververmoeid zou worden. Zij een baby, ik eens een keer het lekkere wijf van de twee als we ergens binnenlopen. Maar nadat ‘t kindje eruit floepte, zoog haar buik zich direct weer plat, stonden de blossen op haar engelachtige wangen en straalde ze als nooit tevoren.
Wat ben ik ook een domme dot. Haar mee te nemen naar mijn geliefde bakker. (Waar ik nog altijd heimelijk verliefd op ben) Waarom denk ik nou nooit eens helder na?
Daar staat Hij. Zachtjes in z’n spuitzak te knijpen. Met de spuitzak knijpt hij strepen chocolademousse in bladerdeeg. ‘Daar is hij’, zeg ik tegen mijn vriendin, op een toon alsof het een uitstervend diersoort is. ‘Dat zijn z’n chocolade eclairs waar hij nu aan werkt, volgens mij.’
Wanneer we plaatsnemen in het koffiegedeelte, kijkt de bakker op, laat z’n spuitzak vallen en komt opgewekt op me afdraven. Hij komt dichtbij me staan en begint te praten: ‘Weet je’, zegt ie, terwijl die me met samengeknepen ogen aankijkt, alsof ie z’n grootste geheim gaat delen. Ik voel m’n hart in m’n keel. Gaat ie me nou tóch de liefde verklaren?! Hij buigt zich iets dieper naar me toe en begint op zachte toon te stamelen. ‘Dat jij hier nu zit aan dit tafeltje.. dat is… dat is….. zo mooi….’ (….) ‘Want laatst zat hier, precies hier, op deze plek zat Carice van Houten weet je wel… En ooooooh dat is zo een imposante schoonheid. Jij hebt dat ook, je doet me aan haar denken’ En bij die laatste woorden beginnen zijn ogen te fonkelen en draait hij zich gezwind naar mijn vriendin.
De jaloezie slaat me om het hart. Dus ik haal uit; ‘Wat een gelul! Carice van Houten is toevallig wel míjn achternicht, dus hallo ík zou eerder op haar moeten lijken.’ Shit, m’n emoties niet helemaal onder controle, dus ik probeer de boel snel te redden door een grote lach te forceren. ‘HAhahahahaha’ Mijn vriendin lacht gelukkig mee. De bakker kijkt verward naar haar, ziet haar ook meelachen en zet dan ook een lachje in….
Gelukkig heb ik naast de bakker een minnaar voor mijn vleselijke lusten. Een pantomime speler uit Woerden. Morgen ga ik naar zijn theatershow in het Bellevue theater. Daar kijk ik naar uit. ‘Oh leuk mag ik mee?’ vraagt mijn vriendin, ‘ik ben wel benieuwd naar hem en zijn mimekunsten’. ‘Nee vriend. Jij mag zeker niet mee. Ga maar lekker met je baby spelen.’ – Ik kijk wel uit.